Subsidiemogelijkheden Afdrukken E-mail
De deadline voor het inleveren van een subsidieaanvraag (1 april 2010) is voorbij.
 
Lidmaatschapscriteria Afdrukken E-mail

Criteria voor de toelating van nieuwe leden en continuering van lidmaatschappen in de periode 2005-2010 (versie mei 2009)

Vooraf

Deze notitie komt in de plaats van de bewerking van 2008 van een eerdere notitie over criteria voor de toelating en continuering van lidmaatschappen die werd vastgesteld door het bestuur in juni 2005. Zij heeft betrekking op de criteria die worden gebruikt bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van nieuwe leden, de omzetting van aspirant-lidmaatschappen in gewone lidmaatschappen, en de continuering van gewone lidmaatschappen. Op grond van deze criteria beoordeelt de Commissie Wetenschap jaarlijks de onderzoeks-output van de leden van de school. Ook adviseert zij op grond daarvan aan het Bestuur over de toelating, omzetting en voortzetting van lidmaatschappen.


De school is in disciplinair opzicht niet homogeen. Van haar maken onderzoekers deel uit voor wie de filosofie en de ethiek niet de enige en soms ook niet de eerste discipline is. Ook komt het voor dat onderzoekers als ethicus of filosoof deel uitmaken van grotere onderzoeksprogramma’s op andere wetenschapsgebieden dan die van de ethiek of de wijsbegeerte. Daardoor heeft de school te maken met verschillende publicatieculturen en ook met verschillende waarderingen van internationaal publiceren. Met dat gegeven moet bij de beoordeling van de publicatie-output van leden rekening gehouden worden.


Bij de beoordeling van (kandidaat- of aspirant) leden zal gekeken worden naar het gehele spectrum van iemands wetenschappelijke activiteiten. Daarbij is naast publiceren te denken aan bijvoorbeeld de redactie van een wetenschappelijk tijdschrift en de organisatie van een wetenschappelijke congres. 

Beoordeling van publicaties


Wetenschappelijke publicaties, vakpublicaties en populariserende publicaties
De school richt zich bij de beoordeling van publicaties uitsluitend op wetenschappelijke publicaties en vakpublicaties. Populariserende publicaties worden buiten beschouwing gelaten. Wetenschappelijke publicaties zijn publicaties van onderzoeksreultaten die in de eerste plaats voor een publiek van vakgenoten/collega-onderzoekers (“peers”) bedoeld zijn. Vakpublicaties zijn publicaties die onderzoeksreultaten weergeven voor een publiek van andere gespecialiseerde wetenschapslieden en beleidsmakers buiten het eigen vakgebied die die resulaten in hun eigen onderzoek, onderwijs of beleidsvorming kunnen aanwenden. Vakpublicaties zijn ook te onderscheiden van populariserende publicaties. Populariserende publicaties zijn publicaties bestemd voor een breed publiek in bijvoorbeeld kranten, week- en maandbladen. Hierbij kan men denken aan opinie-artikelen, collumns enz. De school waardeert het zeer wanneer haar leden contact zoeken en onderhouden met het grote publiek. In de jaarverslagen en beoordelingen door de commisie wetenschap worden de populariserende publicaties echter niet betrokken.


Internationale publicaties

De school kent groot belang toe aan internationale publicaties. Met internationale publicaties bereikt men een groot publiek van vakgenoten, zodat de mogelijkheden voor academisch debat ruimer zijn dan wanneer men in bijvoorbeelde het Nederlands publiceert. Ruime mogelijkheden voor debat met vakgenoten zijn van vitaal belang voor de bloei van de academische wijsbegeerte en ethiek. Desalniettemin waardeert de school ook publicaties in het Nederlands. Een Nederlandstalig tijdschrift is bijvoorbeeld opgenomen in de lijst van A-tijdschriften. Daarnaast is er een speciale waarderingscategorie voorbehouden voor gerefereerde Nederlandstalige publicaties. Onder internationale publicaties en uitgevers worden vooralsnog verstaan: publicaties in het Engels, Duits, Frans of Chinees of uitgeverijen die deze taalgebieden bedienen.

Gerefereerde publicaties

De school beschouwt het criterium van gerefereerd-zijn als een zeer belangrijk, maar zeker niet als het enige criterium voor de kwaliteit van publicaties. Ten eerste kennen niet alle hoogstaande tijdschriften een systeem van beoordeling door referenten. Ten tweede hebben ook tijdschriften die minder in aanzien staan inmiddels dat systeem ingevoerd. Gerefereerd zijn is een belangrijke indicator van kwaliteit, naast andere zoals de reputatie van de uitgever en van het tijdschrift. Het is derhalve onvoldoende om wetenschappelijke tijdschriften onder te verdelen in gerefereerde en niet gerefereerde tijdschriften. De school kent daarom naast categorieen voor gerefereerde tijdschriften, boeken en bundels ook gemengde categorieen, waaronder de A-categorie met top-tijdschriften.

Met gerefereerd-zijn verwijst de school naar een systeem van beoordeling voor acceptatie met behulp van externe peer-review, d.w.z dat vakgenoten die geen deel uitmaken van de redactie een beargumenteerd oordeel over de acceptatie van het artikel, boek of bundel hebben gegeven. Commentaar of beoordeling voor acceptatie door redacteuren van een tijdschrift of bundel zelf geldt niet als gerefereerd-zijn.

De categorieën
Ten aanzien van de wetenschappelijke publicaties worden vijf categorieën onderscheiden. Deze worden hieronder verder toegelicht.

A-publicaties
A-publicaties zijn publicaties in tijdschriften die op de A-lijst van de school staan, alsmede monografieën en publicaties bij enkele gerenommeerde internationale uitgeverijen, zoals Harvard University Press, Oxford University Press, Cambridge University Press, Routledge, Ashgate, Brill, De Gruyter, Suhrkamp en Springer Verlag. In de A-lijst zijn tijdschriften opgenomen die tot de wetenschappelijke top op het gebied van de praktische filosofie en ethiek behoren. Zowel de lijst van A-tijdschriften, als de hier genoemde lijst van daarmee gelijkgestelde uitgeverijen, wordt regelmatig opnieuw herzien door de Commissie wetenschap. Gezien de sterk interdisciplinaire benadering van de school, zijn de lijsten niet volledig en (in sommige opzichten ook) voorlopig van aard.
Toegepaste ethici publiceren vaak in hoog aangeschreven tijdschriften binnen het vakgebied waar ze werkzaam zijn (medisch-ethici publiceren b.v. in Lancet), maar deze tijdschriften zijn primair gericht op een niet-ethische discipline. Het is wenselijk dat toegepaste ethici in dergelijke tijdschriften publiceren, maar het is onmogelijk om alle toptijdschriften uit die vakgebieden ook op de A-lijst van de school op te nemen. De Commissie Wetenschap hanteert wat dit betreft dan ook een case by case-beoordeling waarbij ook met de in deze vakgebieden erkende standaarden rekening gehouden wordt.
Voor sommige toegepast-ethische vakgebieden geldt dat ze sterk in ontwikkeling zijn, en dat er daardoor nog geen sprake is van langdurig kwalitatief hoog aangeschreven tijdschriften. Voor die vakgebieden kunnen we alleen de tijdschriften noemen die op dit moment als 'goed' worden beschouwd, maar dit zegt weinig over de reputatie van deze tijdschriften op de lange termijn. De Commissie Wetenschap zal de stand van zaken op deze vakgebieden bij deskundigen regelmatig controleren en de lijst aanpassen.
De lijst met A-tijdschriften is als bijlage toegevoegd. Op de website van de school staat steeds de meeste actuele versie van de lijst. Sinds kort hebben zowel het Deutsche Zeitschrift für Philosophie als het Zeitschrift für philosophische Forschung  A-status. Dat geldt ook voor het Vlaamse Tijdschrift voor Filosofie. Het Algemeen Nederlands Tijdschrift voor Wijsbegeerte staat met ingang van 2008 op de A-lijst, voorlopig voor een periode van 2 jaar in de verwachting dat de kwaliteit van het tijdschrift in die tijd zich verder positief ontwikkelt.

B-publicaties
B-publicaties zijn publicaties in gerefereerde internationale tijdschriften, die niet als A-tijdschrift kunnen worden aangemerkt, gerefereerde monografieën en publicaties in gerefereerde bundels bij een internationale uitgeverij die niet zijn gelijkgesteld met tijdschriften op de A-lijst.

C-publicaties
C-publicaties zijn publicaties in niet-gerefereerde internationale tijdschriften, monografieën en publicaties in niet-gerefereerde bundels bij een internationale uitgeverij.

D-publicaties
D-publicaties zijn publicaties in gerefereerde Nederlandstalige tijdschriften van goede kwaliteit die niet als A-tijdschrift kunnen worden aangemerkt, gerefereerde monografieën en publicaties in gerefereerde Nederlandstalige bundels van goede kwaliteit (ter beoordeling aan de Commissie Wetenschap).
E-publicaties

E-publicaties zijn ‘overige wetenschappelijke publicaties’: niet-gerefereerde monografieën en publicaties in tijdschriften of bundels in welke taal dan ook, alsmede gerefereerde Nederlandse publicaties met een voor de D-categorie te lage wetenschappelijke status (ter beoordeling aan de Commissie Wetenschap). Tot de E-categorie behoren tijdschriften als Krisis, Filosofie en Praktijk, Ethische Perspectieven, Nederlands Juristenblad). Bij E-publicaties gaat het om wetenschappelijke publicaties. Vakpublicaties vallen onder een aparte categorie, te weten: F.

Vakpublicaties
F-publicaties

Vakpublicaties zijn publicaties die onderzoeksresultaten weergeven voor een publiek van andere gespecialiseerde wetenschapslieden en beleidsmakers buiten het eigen vakgebied die die resulaten in hun eigen onderzoek, onderwijs of beleidsvorming kunnen aanwenden. Vakpublicaties zijn te onderscheiden van populariserende publicaties. Populariserende publicaties zijn publicaties bestemd voor een breed publiek in bijvoorbeeld kranten, week- en maandbladen. Hierbij kan men denken aan opinie-artikelen, collumns enz

 
Alle publicaties die in de lopende erkenningsperiode zijn verschenen zullen volgens deze classificatie worden ingedeeld..

Waardering van publicaties

Alle publicaties worden in punten gewaardeerd. Het aantal punten hangt af van de (sub)categorie waarin de publicaties worden ingedeeld.


Type publicatie
code
 honorering in punten#
Monografie bij gerenommeerde en internationale uitgever (Harvard, Oxford, Cambridge UP, Suhrkamp en   Springer zijn gerenommeerde uitgeverijen. LIT bijv. niet)
 A1
 30
Artikelen in A-tijdschriften of daarmee gelijkgestelde bundels uitgegeven door een gerenommeerde uitgeverij
 A2 10
Redactie van een A- bundel of special issue A-tijdschrift
 A3 10
Book review in een A-tijdschrift  (langer dan 2 pp.)
 A4  2
Gerefereerde monografie bij een internationale uitgever
 B1 20
Artikelen in gerefereerde tijdschriften of bundels bij een internationale uitgever
 B2 7,5
Redactie van een B- bundel of special issue B-tijdschrift
 B3 7,5
Niet-gerefereerde monografie bij een internationale uitgever
 C1 15
Niet-gerefereerde artikelen in tijdschriften of bundels bij een internationale uitgever
 C2
  5
Redactie van een C-bundel of special issue C-tijdschrift
 C3  5
Preprints, abstracts, en book reviews langer dan 2 pag. in B en C-tijdschriften
 C4  1
Gerefereerde Nederlandse monografie
 D1 15
Gerefereerde artikelen in Nederlandstalige tijdschriften of bundels 
 D2  5
Redactie van Nederlandstalige gerefereerde bundels of special issue Nederlandstalig gerefereerde tijdschrift
 D3  5
Monografieën in een niet-internationale taal
 E1 10
Overige wetenschappelijke artikelen en bijdragen aan bundels E2  3
Redactie van een niet gerefereerde, niet-internationale bundel
 E3 3
Preprints, abstracts en book previews langer dan 2 pag. in niet-internationale tijdschriften E4 1
Vakpublicaties
 F  2

# wanneer er meerdere auteurs zijn, krijgen de qua bijdrage aan de publicatie eerste en de tweede auteur 75% van het aantal punten, en de derde en volgende auteurs 25%. Bij publicaties in de context van de medische wetenschappen krijgen de eerste twee auteurs en de laatste auteur 75 %, en de overige auteurs 25 %. Dezelfde percentages gelden als het gaat om meerdere redacteurs van een bundel of special issue van een tijdschrift.


Ter toelichting van de waardering het volgende:
  1. Voor artikelen die zijn opgenomen in een bundel  kan de auteur per bundel voor alle artikelen samen niet meer punten krijgen dan voor een monografie (dus bijvoorbeeld voor een A-bundel: maximaal 30 punten). Dit geldt ook wanneer de auteur daarnaast (mede-)redacteur is van de bundel. Ook in dat geval kan de auteur voor de desbetreffende artikelen en de redactie tezamen niet meer krijgen dan voor een monografie in dezelfde categorie.
  2. Dissertaties worden niet geclassificeerd en gewaardeerd omdat het geen publicaties van (aspirant-)leden zijn, maar de entree tot (aspirant-)lidmaatschap. Bewerkte handelsedities van dissertaties die vallen in de A- en B- categorieën worden wel gewaardeerd. 
  3. Monografieën krijgen 3 maal zo veel punten als artikelen.
  4. Redactioneel werk voor een special issue van een tijdschrift wordt even hoog gewaardeerd als de redactie van een bundel. Redactioneel werk is voor een deel inhoudelijk wetenschappelijk werk. De redactie van een bundel of een special issue moet worden onderscheiden van normale redactielidmaatschappen van tijdschriften en uitgeverijen. Laatstgenoemde leveren geen punten op.
  5. Alleen recensies langer dan 2 bladzijden worden als afzonderlijke publicatie aangemerkt en gewaardeerd in overeenstemming met de kwaliteit van het tijdschrift.
  6. Ten aanzien van voorwoorden, nawoorden, inleidingen, uitleidingen, commentaren geldt een minimumomvang van 5 pp.
  7. Antwoorden op commentaar op eerder gepubliceerde artikelen van minder dan 2 pagina’s leveren geen punten op..
  8. Vertalingen van eerder gepubliceerd werk leveren geen punten op, tenzij het gaat om vertalingen vanuit een regionale taal als het Nederlands in een internationale taal.
  9. Heruitgaven anders dan vertalingen in een internationale taal leveren geen punten op.
  10. Preprints en abstracts die in sommige empirische vakgebieden als zelfstandige publicatie worden geteld, worden dat ook in deze indeling, mits ze opgenomen zijn in bundels met een ISBN-nummer of tijdschriften met ISSN-nummer. De waardering is echter gering. De commissie gaat er vanuit dat als abstract en preprints wat voorstellen, ze tot volwaardige publicaties uitgewerkt zullen worden.
  11. Congrespapers die in de proceedings van een conferentie worden gepubliceerd, worden gelijkgesteld met bijdragen aan bundels.
  12. Het publiceren van kwalitatief goed wetenschappelijk werk in de Nederlandse taal dient niet door een te lage waardering van dergelijke publicaties ontmoedigd te worden. Daarom krijgen Nederlandstalige gerefereerde publicaties even veel punten als niet gerefereerde publicaties in een internationale taal.

Criteria voor toelating van leden en verlenging van lidmaatschappen

Iemand wordt als lid tot de school toegelaten dan wel haar/zijn lidmaatschap van de school verlengd wordt als zij/hij

60 punten heeft, waarvan minimaal 40 A-punten, of: 80 punten, waarvan minstens 30 A-punten,

over een periode van 6 jaar bij een fte-inzet voor onderzoek van 0.4 per jaar. Bij een lagere onderzoekstijd worden de criteria omgerekend na rato van aanstelling (bijv.: i.p.v. 60 punten, waarvan 40 A-punten, bij 0,4 fte wordt het dan bij 0,3 fte 45 punten, waarvan 30 A-punten)

De norm van juni 2005 was  6 A-publicaties en 5 wetenschappelijke publicaties van goede kwaliteit. De nieuwe norm is minder streng. Bij de niet-A punten wordt verder geen onderscheid gemaakt naar het type van publicatie waarmee de punten verdiend worden. Zodoende tellen ook vakpublicaties mee.

Het bestuur kan besluiten een lidmaatschap toe te kennen c.q. te verlengen wanneer een  aanvrager of een lid deze norm niet haalt. Daarvoor dient het dan speciale argumenten aan te kunnen voeren zoals een bovengemiddeld aantal belangwekkende vakwetenschappelijke publicaties, wetenschappelijke activiteiten als de redactie van tijdschriften, de organisatie van congressen en een bovengemiddeld aantal promoties.

Promovendi van de school kunnen na hun promotie binnen een periode van 3 jaar een aanvrage doen voor een aspirant-lidmaatschap. Een dergelijk lidmaatschap geldt voor een periode van 3 jaar waarna het bestuur beoordeelt of de aspirant in de periode voldoende heeft gepubliceerd om voor een volwaardig lidmaatschap in aanmerking te komen. Het bestuur kan ook anderen dan promovendi van de school een aspirant-lidmaatschap toekennen, en in zeer bijzondere gevallen ook aan personen die al langer dan 3 jaar gepromoveerd zijn als deze door speciale omstandigheden niet in staat zijn geweest voldoende te publiceren.

Mei 2009, bestuur OZSE
 
Onderzoekprogramma OZSE Afdrukken E-mail

Inleiding

Het onderzoek van de Onderzoekschool Ethiek (OZSE) richt zich zowel op vragen op het terrein van de fundamentele ethiek als op dat van de toegepaste ethiek. Het terrein van de fundamentele ethiek omvat meta-ethische vraagstukken alsmede onderzoek over de vooronderstellingen, funderingen en toepassingen van normatieve ethiek, theologische ethiek en politieke filosofie. Het onderzoek vindt plaats vanuit de verschillende ethische tradities die in de onderzoekschool vertegenwoordigd zijn. Op het terrein van de toegepaste ethiek richt zich het onderzoek zowel op bio-ethische vraagstukken (medische ethiek, gezondheidsethiek, dier-, voedsel-  en natuurethiek), op vraagstukken op het gebied van de sociale en politieke ethiek (migratie, bedrijfsethiek), als ook op technologie-ethiek (informatietechnologie, nanotechnologie). Ieder van de verschillende onderdelen van het onderzoeksprogramma wordt gekenmerkt door 1) de nadruk op de wisselwerking tussen fundamenteel en toegepast onderzoek en 2) de aandacht voor de relatie tussen ethiek (fundamenteel dan wel toegepast) en de empirische wetenschappen. Ethische theorievorming vormt de basis van de toegepaste ethiek, maar moet daarbinnen ook haar vruchtbaarheid bewijzen. Omgekeerd kan toegepaste ethiek niet goed worden beoefend zonder reflectie op fundamentele filosofische vooronderstellingen. Daar waar de toegepaste ethiek al een traditionele binding heeft met de empirische wetenschappen, kan ook van de fundamentele ethiek worden verwacht dat ze reflecteert op de resultaten en theoretische vooronderstellingen van de empirische wetenschappen. Kwalitatief hoogwaardig ethisch onderzoek vereist daarom een interdisciplinaire aanpak. 

1. Grondslagen van Ethiek en Politieke Filosofie Fundamenteel onderzoek neemt steeds meer een centrale plaats in binnen het onderzoek van de OZSE. De meta-ethiek analyseert bijvoorbeeld de structuur van ‘redenen’ en het kenmerkende van praktische en morele ‘redenen’, analyseert rationaliteits-theorieën en onderzoekt de meta-ethische vooronderstellingen van morele discussies. Daarbij gaat het vooral om een analyse van de epistemische status van morele uitspraken, de mogelijkheid van morele kennis en de (on)mogelijkheid van funderingen van de moraal. In het bijzonder worden concepten geanalyseerd die in de normatieve ethiek en politieke filosofie van centrale betekenis zijn, zoals vrijheid, integriteit, menselijke vaardigheden en morele rechten. Voor de onderzoekschool is het bijzonder belangrijk dat dit onderzoek vanuit verschillende ethische tradities plaatsvindt: er zijn zowel cognitivistische, transcendentaalfilosofische, analytische of coherentistische, als hermeneutische benaderingen in de school aanwezig, die elkaar wederzijds kunnen inspireren en aanvullen. Voor dit fundamenteel onderzoek is het van groot belang ook aan de historische tradities binnen de moraalfilosofie expliciet aandacht te besteden. Verder is recent in het ethisch onderzoek de discussie en de uitwisseling met vakwetenschappen een steeds grotere rol gaan spelen, zoals bijvoorbeeld met de moraalpsychologie, neuro- en cognitiewetenschappen, de rechtswetenschap en de politieke wetenschap. Een groot accent zal liggen op de vraag wat de kennis en inzichten uit deze vakwetenschappen betekent voor de fundamentele en toegepaste ethiek maar ook op een ethische beoordeling op ontwikkelingen binnen deze wetenschappen. 

2. Methodische vragen van toegepaste ethiek Veel fundamenteel-ethische vraagstukken worden juist in samenhang met toegepast-ethische vragen bestudeerd. Binnen de toegepaste ethiek is veel nadruk op de reflectie op methodische vooronderstellingen. Een belangrijke discussie, die het Nederlandse onderzoek ook internationaal op de kaart zet, betreft de vraag naar de relevantie van empirisch onderzoek (over menselijke capaciteiten, psychologische veronderstellingen en morele attitudes) voor de (fundamentele en) toegepaste ethiek. Maar ook sociaal-wetenschappelijke theorieën over maatschappij, politieke actoren of structuren van kennisgeneratie zijn van groot belang voor vele vraagstukken in de ethiek. Deze discussie over ethiek en empirie is internationaal nog sterk in ontwikkeling. In het onderzoek van de OZSE zullen in de komende jaren de verschillende concepties van een empirisch geïnformeerde ethiek vanuit meta-ethisch gezichtspunt worden onderzocht. In het bijzonder zal het onderzoek zich richten op de relatie tussen psychologie en ethiek. Niet alleen zal nadere bestudering van de ‘morele psychologie’ wenselijk zijn, maar ook is nadere reflectie noodzakelijk op psychologische vooronderstellingen die voor de ethische theorievorming belangrijk zijn (zoals de kenmerken en condities van actorschap, de rol van morele emoties, de rol van integriteit enz.). Vanuit de toegepaste ethiek is interdisciplinariteit al langer een aandachtspunt, en de relatie met andere vakgebieden als technology assessment, de wetenschapsfilosofie, theorie van de biologie (evolutietheorie, neurowetenschappen) of sociologie van technologie zullen de komende jaren uitgebreider aan de orde komen. Daarbij gaat het er zowel om dat de toegepaste ethiek over het vakwetenschappelijk onderzoek geïnformeerd moet zijn als ook om een ethische bespiegeling van de vooronderstellingen en het onderzoek van deze disciplines. Wat in vele gebieden aan de orde komt zijn vragen die verband houden met de verantwoordelijkheid voor het genereren van kennis. Hoe belangrijker kennis en hun technologische toepassing wordt, des te belangrijker wordt ook de vraag naar de verantwoordelijkheid voor het verwerven van deze kennis.  

3. Politiek, Economie en Samenleven Binnen de politieke en sociale ethiek vindt, mede onder invloed van internationale en nationale ontwikkelingen een hernieuwde reflectie plaats op gemeenschappelijke waardepatronen, rechten van de mens, burgerschap en rechtvaardigheid. De kaders van deze discussies staan echter  ook zelf ter discussie. In de afgelopen jaren zijn bijvoorbeeld traditionele noties als ‘erkenning’, ‘vrijheid’, ‘rechten’ of ‘verlichting’, zowel in het licht van hun filosofische en historische bronnen als ook met betrekking tot hun  geschiktheid voor het analyseren en bekritiseren van recente ontwikkelingen, ter discussie gesteld.Een ander belangrijk voorbeeld van maatschappelijke ontwikkelingen die nopen tot de ontwikkeling van nieuwe morele kaders wordt gevormd door milieuveranderingen en de mondiale ontwikkeling van grote en nieuwe technologieën. Verder geldt dat de morele beoordeling van immigratie nog steeds een centraal punt van discussie is in veel Europese landen. Als gevolg van discussies over de integratieproblematiek en het succes dan wel falen van de multiculturele samenleving wordt de roep om grondige reflectie op het gemeenschappelijke waardepatroon binnen deze samenlevingen steeds luider.  De religie speelt hierbij een belangrijke rol. Voor al deze ontwikkelingen geldt dat de ethische analyse in samenspel met de vakwetenschappen dient te worden gevoerd. Zo kan bijvoorbeeld in de analyse van ‘globalisering’ de vraag naar de morele status van actoren als de staat, NGO’s of internationale organisaties niet beantwoord worden zonder goed inzicht in de daadwerkelijke rol die  deze actoren spelen. Tevens geldt dat het fundamenteel onderzoek op deze terreinen niet onafhankelijk van het toegepaste onderzoek kan plaatsvinden. De analyse van de nieuwe verhoudingen tussen markt en staat is bijvoorbeeld nauwelijks te voeren onafhankelijk van een systematische reflectie op de rol van de economie. Al langer spelen bedrijfsethische kwesties in de OZSE een rol. Maar inmiddels wordt ook steeds meer op een fundamenteel niveau over de kaders nagedacht m.b.t. de morele grenzen van economisch handelen, de grenzen van het commodificeren en de verantwoordelijkheid van economische acteurs. Een sterkere relatie tussen normatieve ethiek en politieke filosofie met concrete discussies in de bedrijfsethiek lijkt belangrijk te zijn. 

4. Bio-ethiek, Ethiek van Zorg en Gezondheid Op het gebied van de bio-ethiek speelt de onderzoekschool sinds vele jaren een internationaal erkende rol. Drie gebieden moeten hier in het bijzonder worden genoemd: Allereerst wordt onderzoek verricht op de traditionele gebieden van de medische ethiek, zoals vraagstukken over genetische diagnostiek en euthanasie. Deze gebieden vragen steeds opnieuw aandacht, niet alleen omdat het Nederlandse debat  (zoals dat over euthanasie) wereldwijd tot veel discussie heeft geleid, maar vooral omdat als gevolg van technologische ontwikkelingen steeds nieuwe ethische vragen naar voren komen. Met name de ontwikkelingen in de gentechnologie, genomics en nanomedicine zullen nieuwe technische toepassingen genereren waarvan de gevolgen vooralsnog moeilijk te overzien zijn. Er zal in de komende periode dan ook onderzoek worden verricht naar de zogenoemde enhancement-technologieën. Dit zijn de technische mogelijkheden om het menselijk lichaam te verbeteren zonder dat er sprake is van een aandoening of een ziekte. Dergelijke ontwikkelingen stellen de legitimatie van het medische handelen en het mensbeeld in de geneeskunde zelf ter discussie. Ten tweede zijn er ook kwesties die steeds opnieuw aandacht en doordenking behoeven, zoals kwesties rond de rechtvaardigheid in het zorgstelsel. De ontwikkelingen op het gebied van Public Health en het gegeven van financiële schaarste leiden tot vragen over de normatieve criteria waarmee de achterliggende concepten van politieke rechtvaardigheid kunnen worden beoordeeld. Deze kwestie wordt zowel op een theoretisch niveau doordacht (bijv. in Public Health-ethics tav de vraag waar de grenzen van een collectief belang en collectieve verantwoordelijkheid liggen), als ook op een meer toegepast niveau, zoals bijvoorbeeld vraagstukken rond orgaantransplantatie en –donatie. Tot slot heeft de onderzoekschool een sterke voortrekkersrol gespeeld en een eigen expertise opgebouwd op het gebied van de dier-, natuur- en voedselethiek. Het onderzoek van de leden van de school bevindt zich in de voorhoede van de internationale discussies. In de komende jaren zal dit dan ook een zwaartepunt binnen de onderzoekschool zijn. Het dierethisch debat heeft behoefte aan een aan verdieping van theoretische vertrekpunten: zo is het begrip intrinsieke waarde van dieren moraalfilosofisch ondergedetermineerd. Ook op het terrein van de voedselethiek, een nieuwkomer op het terrein van de toegepaste ethiek, ontstaat behoefte aan theoretische doordenking van praktische kwesties, zoals met betrekking tot het concept verantwoord consumeren, en een rechtvaardige voedselketen.  

5. Ethiek en Technologie Technologische ontwikkelingen zijn niet alleen meer het domein van de bio-ethiek. Naast genomics-onderzoek zijn er belangrijke ontwikkelingen op het gebied van ICT en nanotechnologie, die sinds enkele jaren de aandacht in politieke en ethische discussie trekken. Dit onderwerp vormt voor de komende periode dan ook een zwaartepunt binnen de OZSE. Opgemerkt moet worden dat dit een onderzoeksterrein in ontwikkeling is, waarbij sterke behoefte bestaat aan een bruikbare methodologie voor vraagstukken op dit terrein. Een van de redenen voor een gebrek aan methodologie op dit moment is dat concrete toepassingen, b.v. op het gebied van de nanotechnologie, vaak moeilijk te overzien zijn, terwijl dit voor de morele beoordeling van kennis op het gebied van technology assessment, wetenschapsfilosofie, politieke filosofie en normatieve ethiek zeer belangrijk is. Er is sterke behoefte aan een nadere doordenking van de gevolgen van nieuwe techologieën voor zowel individuele burgers als ook voor de samenleving in zijn geheel, maar dit noopt ook tot het verbreden van de (morele) horizon als gevolg van technologische innovatie. Onze concepties van risico’s en verantwoordelijkheid bijvoorbeeld worden sterk beïnvloed door technologische mogelijkheden en inzichten. De complexiteit van structuren en processen waar technologie ons mee confronteert, dwingt dan ook tot een verdere normatieve doordenking en een bredere aanpak. Ethische reflectie zal zich bijvoorbeeld richten op morele problemen bij het ontwerpen van nieuwe artefacten en systemen. De OZSE wil hier de komende jaren internationale herkenbaarheid mee verwerven.

 
Werkgroep Bedrijfsethiek Afdrukken E-mail

Coördinatie: dr. W. Dubbink

Thema/onderzoeksveld en werkwijze:

De werkgroep bedrijfsethiek richt zich op theorievorming en reflectie op vraagstukken rondom het thema markt en moraal. Dit thema interpreteren we in de meest brede zin. Dit houdt onder andere in dat de werkgroep zich verdiept in theorievorming en reflectie op concrete morele vraagstukken die zich op het niveau van de persoon of het bedrijf voordoen in de markt. Daarnaast richt de werkgroep zich ook op institutionele en politiek-theoretische vraagstukken rond het thema. Daarnaast staat de werkgroep echter ook open voor vraagstukken die zich op het gebied van de filosofie van de economie bevinden of dat van de moderne (westerse) cultuur, voor zover deze gelieerd zijn het feit dat de moderne westerse samenleving een marktsamenleving is. De werkgroep bepaalt jaarlijks haar specifieke zwaartepunten. Hierbij zijn de onderzoeksinteresses van de leden doorslaggevend. De breedte van de thematiek laat onverlet dat de onderzoeksgroep bedrijfsethiek wel een formele voorwaarde stelt: alle bijdragen dienen primair de academische theorievorming van en reflectie op de bedrijfsethiek te willen stimuleren.

De werkgroep bedrijfsethiek houdt jaarlijks drie bijeenkomsten. Tijdens deze bijeenkomsten staat telkens één boek of artikel centraal. Deze artikelen dienen nog niet gepubliceerd te zijn maar al wel bijna af, naar het oordeel van de auteur. De discussie wordt ingeleid door twee referenten. Eénmaal per jaar wordt een spreker van buiten gevraagd te komen spreken. In dat geval wordt een reeds bestaand boek of artikel besproken.

Leden van de werkgroep:

Wim Dubbink, Rutger Claassen, Ronald Jeurissen, Mandy Bosma, Kor Grit, Johan Graafland, Hans Bennink, Elena Cavargno, Bert van de Ven, Bas Kee, Andre Nijhof, Eduard Kinneman, Susan Langenberg

 
A-tijdschriften Afdrukken E-mail

De commissie wetenschap heeft recent een nieuwe tijdschriftenlijst samengesteld, nader uitgewerkt naar specialisatie.  

Lees meer...
 
Werkgroep Ethiek en technologie Afdrukken E-mail

Coördinatie: dr. Ph. Brey

Thema/onderzoeksveld en werkwijze:
Ethiek van technologie in brede zin. Naast (het ontwerp van) artefacten strekt het onderzoek zich tevens uit tot de processen, praktijken, organisaties en instituties waarbinnen technieken en technologieen worden aangewend. Daarnaast betreft het onderzoek eveneens de culturele en antropologische vooronderstellingen van de ontwikkeling, de productie en het gebruik van technologie en de reflectie op de methoden van technologie-ethiek.

Leden van de werkgroep:

D. Willems, W. Pieters, I. van de Poel, N. Manders-huits, L. Asveld, A. van Gorp, A. Vedder, S. Roeser, A. Pols, P. Sollie, T. Swierstra, P. Brey, K. Waelbers, M. Coeckelbergh, J. van den Hoven, A. Meijers, L. Royakkers, C. Illies, S. van der Burg, M. Derksen, P. Verbeek, N. Doorn, G. Valkenburg

 
<< Begin < Vorige 1 2 Volgende > Einde >>

Resultaten 1 - 6 van 12

Landelijke
Onderzoekschool
Ethiek


p/a Ethiek Instituut
Universiteit Utrecht
Heidelberglaan 8
3584 CS Utrecht

Postbus 80103
3508 TC UTRECHT
The Netherlands

tel: +31 30 253 5943 / 4160
fax: +31 30 253 9410

Dit e-mailadres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit te kunnen bekijken